“Het kind uit de dessa” - Soldaat G. Cafť

Verhalen
Lieve Rusjka  Toeboehan 20 april 1949
A-  A+

GabriŽl Cafť

Een patrouille van de tweede compagnie is na een zuiveringsactie, dwars door het zware terrein, in Sugihwaras aangekomen. Het zijn jongens van luitenant van Daalen, m'n bloedeigen kameraden! Met m'n driekwarttonner moet ik de afgepeigerde jongens naar Toeboehan terug brengen. Na afloop van de rit is de duisternis ingevallen, terug naar Sugihwaras kan niet meer. In Toeboehan kan ik overnachten, in een goedang, op een geleend veldbed. Ik bedenk mij dat dit de laatste kans is om mijn vriendin te bezoeken, even wat bijpraten onder het genot van kopi soesoe, koffie met melk. Ze lijkt blij verrast mij te zien en ik vind haar mooier dan ooit. Ze heeft een lief rond gezichtje en haar altijd glimlachende mond lijkt geschapen om te kussen. Haar boezem, verborgen in haar kabaja doet m'n adem stokken en ook haar heupen, waarvan ik de vorm onder de strak gespannen gebatikte sarong kan raden, doen mij in vreugde ontsteken. Eigenlijk heeft zij alles wat een man blij kan maken. Zij beweegt zich met de lome elegantie van een junglekat en ik geraak geheel in de ban van haar charme. Ik ben onwijs verliefd en ik verbeeld mij dat zij mij niet onaardig vindt.

Rusjka is onderwijzeres en spreekt vloeiend Engels en ik spreek een aardig mondje Nederlands dus dat komt aardig uit. Maar in het Maleis kan ik mijn gevoelens heel goed onder woorden brengen. Toch is er een klein probleempje, Rusjka is getrouwd met een TNI officier en heeft een dochtertje van vier jaar. Sinds twee jaar heeft zij echter taal noch teken van hem gehoord en zij voelt zich eenzaam. Toch is zij moeilijk te veroveren en zij is zeer afstandelijk. De sociale controle in Toeboehan is groot en de angst de bloeddorstige Hisbollah zit hier diep.

 

Na alle spanningen van de laatste maanden is het weldadig om even met een charmante vrouw als Rusjka alleen te zijn. Even geen zwetende en luidruchtige kameraden. Even al het geweld vergeten. Ik vertel Rusjka dat ik word overgeplaatst en dat ik afscheid van haar kom nemen. Ik merk aan haar dat zij er niet onverschillig onder is. Voor het eerst merk ik dat zij toch wel gevoelens voor mij heeft en een vreemde melancholie en een gevoel van weemoed overvalt ons beiden. Het is intussen sluitingstijd geworden en ik wens haar al het goede en een gelukkig leven. Toch lijkt het alsof er bij de ingetogen en keurige Rusjka iets is veranderd, zij sluit de luiken en ik mag binnen blijven. Is dit dan het moment? Het moment waar ik al maanden van droom? Is dit dan het resultaat van al m'n inspanningen en m'n moeilijke Maleise teksten? Rusjka beduidt mij heel stil te zijn, maar m'n hart kan ik het zwijgen niet opleggen, het klopt en bonst als waanzinnig en ik ben bang dat de hele kampong dat kan horen. Teder neemt zij mij bij de hand en voert mij mee naar haar slaapkamer, naar haar tweepersoonsbed. De grote witte klamboe boven het bed maakt er een romantisch liefdesnestje van. Ik beef van spanning, ben ik dan echt zo'n Casanova, zo'n Don Juan, of heeft zij alleen maar medelijden met mij? Of is het omdat dat dit eigenlijk het afscheid is.

Al m'n dromen worden nu werkelijkheid, ik mag dit exotische wezen opeens zomaar strelen en kussen. Haar fluwelen huid is omgeven door de geur van minjak wangi, een opwindend en erotiserend inheems parfum, die mij geheel betovert. De grote olielamp naast haar bed zorgt voor groteske schaduwen in de witte klamboe, schaduwen van ons liefdesspel, schimmen als bij een romantische wajangvoorstelling. Ik verlies mij volkomen in Rusjka en wens dat deze nacht nooit eindigt. Het liefste wil ik haar meenemen naar Holland en ik wil haar eeuwig bij mij houden. Maar dat is eigenlijk wel erg lang, bedenk ik mij.