“Het kind uit de dessa” - Soldaat G. Cafť

Verhalen
Opnieuw de gebroeders Simandjuntak  Sugihwaras 17 april 1949 - Eerste Paasdag
A-  A+

GabriŽl Cafť

Mijn Chevrolet 3/4 tonner kraakte in zijn voegen, hij was topzwaar beladen met voorraden en goederen voor de vierde compagnie in Pulau Panggung. Aan deze compagnie ben ik uitgeleend als chauffeur. Als gewoonlijk reed ik weer als achterste man in de colonne. Voor mij reden twee drietonners, die werden bestuurd door jongens met meer kilometerervaring dan ik, dus was ik weer laatste man. In het chauffeurspeloton heerste nu eenmaal een strenge pikorde en die had ik maar te respecteren. Ik vond het geen probleem, we zaten nog midden in de natte moesson dus last van stof had ik niet. Rekening houden met wagens achter mij hoefde ook niet. De voorste wagen van de colonne was wel iets nieuws. Een Weapon Carrier voorzien van een zwaar mitrailleur. Mijn maatje Co Teuling had in de laadbak van de Weapon Carrier een Vickersmitrailleur gemonteerd. Het valt op dat sinds de noodlottige 27e februari de konvooi-bescherming enorm is verbeterd. Is bij de grote baas toch het pitje gaan branden?
.
Toeboean, de kampong waar mijn eigen peloton nog steeds verblijft en waar ook een vriendin woont, was nog nauwelijks ontwaakt. Het luik van de toko van mijn vriendin was nog gesloten en Joop Basjes, die op wacht stond, had te laat in de gaten dat ik voorbij reed. Stoppen mocht ik niet.

Het weer was druilerig en de zon kreeg geen kans door de motregen te breken. De bergtoppen waren onzichtbaar door dekens van mist. Toch gaf dit alles een geweldige sfeer. Een sfeer van melancholie en ook een sfeer die deed verlangen naar warmte en liefde. Het liefste had ik m'n wagen omgekeerd en terug gereden naar Toeboean, terug naar Rusjka. Even haar fraaie handen vasthouden en haar, in het Maleis, uitleggen hoe erg ik naar haar verlangde. Ik vroeg mij echter af of Rusjka op dit moment ook zo hevig naar mij verlangde.

 

Halverwege, in Sugihwaras, hielden wij een rustpauze. Door het cantineraam zag ik dat een sergeant met enkele jongens van het derde peloton op mijn wagen klommen en begonnen, zonder een woord te zeggen, met het lossen van de lading. "Hallo allemaal, ik moet deze barang naar Pulau Panggung brengen, weet je wel" riep ik verontwaardigd. "Niks mee te maken, jij moet ons naar Tandjung Agung brengen" zei de sergeant bits "Simandjuntak heeft daar de politiepost overvallen." Vijf of zes opvouwbare brancards werden in m'n laadbak gegooid. Een brenschutter en zijn helper nestelden zich tegen de achterwand van de cabine. Een korporaal, bewapend met een Owengun, kwam naast mij in de cabine zitten. Voor het eerst in mijn loopbaan als chauffeur kreeg ik een lijfwacht mee. Ik zou mij veilig moeten voelen maar toch was ik niet gerust, ik voelde een vage knagende angst.

Met drie wagens reden wij richting Tandjung Agung. Ik reed weer als laatste man. De tweede wagen was een drietonner en de voorste wagen was de gepantserde PAG trekker van Piet de Graaf. Achter de Vickersmitrailleur, die boven de cabine van de PAG trekker uitstak, ontwaarde ik sergeant Piet Korpershoek, de roodharige breedgeschouderde baas van de sluipschutters. Een paar van zijn scherpschutters hielden hem gezelschap. Na een kwartier rijden was het al donderen. De weg was door omgekapte bomen afgesloten. Vanachter versperringen en vanuit bomen langs de weg werdt het vuur op ons geopend. Sergeant Korpershoek legde de snipers die vanuit de bomen op ons schoten onmiddellijk het zwijgen op, daarna verlegde hij zijn vuur naar de versperringen. De tegenstand was echter taai. De mortiergroep van Bouke Faber wist enkele brisantgranaten achter de versperring te plaatsen. Jan Wiedijk, de mortierschutter, bleek een groot vakman te zijn op dit merkwaardige krombaanwapen. De bomen werden door de PAG trekker van de weg getrokken en de weg ligt weer open. Tijdens het oponthoud voelde ik mij weinig op m'n gemak, m'n wagen stond stil en elke opgefokte Sumatraan kon mij als schietschijf gebruiken.