“Het kind uit de dessa” - Soldaat G. Cafť

Verhalen
Staande patrouille  Sugihwaras 18 en 19 april 1949 - 2e Paasdag
A-  A+

GabriŽl Cafť

Een groep jongens van de 4e compagnie die gisteren in Tandjung Agung als bewaking was achtergebleven had verzorging en ravitaillering nodig. Deze groep vormt een zogenaamde 'staande patrouille'. Een tijdelijke bezetting zonder verzorging. Zij moeten even de Federale politie vervangen. Zonder begeleiding van een pantserwagen maar wel beschermd door twee Brenschutters en een mortierschutter reed ik weer de zelfde route als gisteren.

Onderweg zag ik de resten van de hinderlagen, stille getuigen van de bloedige eerste Paasdag. Ondanks de spanning genoot ik van de rit. De adrenaline joeg als een gek door m'n aderen en ik dacht dat dit pas het echte leven was. Dat je van dit leven ook dood kon gaan drong eigenlijk niet goed tot mij door.

 

Vandaag heen en weer naar Batoeradja gereden, voorraden ophalen, in m'n eentje zonder bewaking. Zelfs geen hond kreeg ik mee en ik, sukkel, pikte het weer. Maar wat moet je dan? Dienstweigeren? Zeg het maar. Ik ben vandaag ook twee keer Toeboehan gepasseerd en geen glimp van Rusjka. Ik vraag mij af hoe het met haar gaat. Houdt ze nog een beetje van mij? Heeft zij ooit van mij gehouden? Tot nu toe is de relatie helaas platonisch.

De overplaatsing naar Pulau Panggung gaat niet door. Al het transport daar wordt nu door een gepantserde wagen verricht. Een opluchting voor mij, het is daar in de bergen echt bloedlink. Luitenant Olij, het opperhoofd van het chauffeurspeloton heeft een nieuwe baan voor mij. Over een week moet ik mij melden bij de Ondersteuningscompagnie in Martapoera. Zeventig kilometer hiervandaan. Ik krijg daar een vaste baan als chauffeur op een watertankwagen.