“Het kind uit de dessa” - Soldaat G. Cafť

Verhalen
Karbouwkalf  Baturadja 9 december 1948
A-  A+

GabriŽl Cafť

Vanmorgen heb ik een kalf doodgereden, een karbouwkalf, en ik ben er kapot van. Sinds elf dagen had ik nu m'n rijbewijs en vandaag reed ik voor het eerst in een konvooi mee. Waar ik zo naar uitzag, konvooirijden, is mij niet meegevallen. Nadat ik met tegenzin m'n ontbijt van zuur brood en ranzige margarine met bakken lauwe thee naar binnen had gewurgd begon het echte grote werk, de vuurdoop, het eerste keer "konvooi rijden". Meerijden met de grote jongens uit het vak, meerijden met professionals zoals Co Groenestein, Jaap Sietses, Jan Lipman en Marius van Koll. Bloednerveus starte ik de V8 motor van m'n Ford driekwarttonner. Als laatste wagen reed ik aan de staart van de colonne, en de reden daarvan zou ik later op de dag gaan begrijpen. Het doel van de rit was het ravitailleren van de buitenpost Kedaton. De buitenpost waar de roemruchte luitenant Snoek van de derde compagnie de baas was. Het rijden in colonne ging aanvankelijk op rolletjes, maar als laatste wagen moest ik wel vaak hard remmen of plankgas geven. Een autocolonne wordt in bergritten als een harmonica in-en uit elkaar getrokken en voor een beginnend chauffeur zijn dit best wel harde lessen.

Toch was er iets vreemds aan dit konvooi. De drie trucks voor mij hadden allen een Brenschutter en onderofficieren bewapend met Stenguns aan boord. De voorste wagen was de gepantserde PAG trekker van Piet de Graaf. Op deze wagen was een Vickersmitrailleur gemonteerd. De schutter en tevens colonnecommandant, een grote zwaargebouwde roodharige sergeant, zat naast Piet in de cabine. Alle wagens waren tot de tanden toe bewapend, maar ik had niemand aan boord behalve dan m'n Lee-Enfield. En die stond schuin achter mij in het geweerrek.

 

De kolf paste precies in een daarvoor uitgefraisd blokje teakhout, dat op de cabinevloer was gemonteerd. De loop had ik vastgesnoerd met een daarvoor bestemd groen canvas riempje, dat aan het eind voorzien was van een koperen gesp. Zouden wij onverhoopt in een hinderlaag rijden dan zou ik m'n Lee-Enfield gemakkelijk binnen vijf minuten kunnen losknopen. Als laatste wagen vang je al het stof van de voorste wagens op. Om enig uitzicht te krijgen had ik de voorramen omhoog geklapt, maar dat veroorzaakte weer een vijf millimeter dikke laag stof op m'n gezicht. Opeens begreep ik waarom ik alleen was. Niemand rijdt graag in de achterste wagen van een konvooi en zeker niet met een groentje als chauffeur.

Het was in de kampong Koeroengannjawa, de colonne reed de kampong alweer uit. Vanwege de stofwolken had ik tussen mij en de voorlaatste wagen een gat van 80 meter laten vallen en dat was dom. Een karbouwkalf moest toen zo nodig oversteken en kwam onder m'n wagen terecht. Ik voelde een klap onder de cabinebodem en daarna hoorde ik het akelige geluid van de krakende botten van het arme dier en toen stilte. M'n motor was afgeslagen en van af de rechter kant van de weg werd ik aangestaard door enkele domkijkende volwassen karbouwen. De moeder van het kalf stond er waarschijnlijk ook bij. Wat moet ik nu? De jongens op de voorste wagens hadden er niets van gemerkt, de colonne reed gewoon door. Uit enkele kamponghuisjes kwamen opgewonden lieden naar buiten gerend, zwaaiend met stokken en speren kwamen zij op mij af. Ik kon het wit van hun ogen al zien en die spraken duidelijke taal, moordlust, even lekker een volksgericht houden. Half verlamd van schrik zag ik toch nog kans de motor te starten en vol gas scheurde ik achter de colonne aan. Ik deed een schietgebedje en beloofde iedereen die ik kende (speciaal ook kapitein Davidson) beterschap als ik alstublieft maar weer de bescherming van het konvooi terug kreeg.

M'n eerste konvooirit, onvergetelijk.