“Het kind uit de dessa” - Soldaat G. Cafť

Verhalen
Chinezen  Batoeradja Februari 1949
A-  A+

GabriŽl Cafť

De joden van het oosten worden zij wel eens genoemd, de Chinezen. Deze neringdoenden zijn ijverig, spaarzaam, hebben handelsgeest en zijn zeer slim. In Indonesië is in iedere stad of stadje wel een Chinezenwijk te vinden. Het is de Javanen en vooral de Sumatranen echter een doorn in het oog dat handel en nijverheid vrijwel geheel in Chinese handen zijn. Tijdens-en na afloop van de twee politionele acties werden door Soekarno’s rampokbenden de Chinese wijken dan ook met regelmaat geplunderd en in brand gestoken. Daarbij werden door de vrijheidstrijders ook duizenden Chinezen afgemaakt. Het is dan ook begrijpelijk dat de Chinezen in tijden van nood en levensgevaar zoveel belangstelling voor de Hollandse dienstplichtigen tonen. In tijden van vrede doen zij dat alleen als zij aan Jan Soldaat kunnen verdienen.

Op 29 januari 1949 werd operatie ‘Stier’ gelanceerd. Het doel was bezetting en zuivering van Simpang en Moeara Doea. Deze gevaarlijke klus was opgedragen aan onze Ondersteuningscompagnie onder de kundige leiding van kapitein Maan. Tijdens de moeizame opmars moesten talloze boomversperringen geruimd worden. Bij dit zware houthakkerswerk werden onze jongens vanuit hinderlagen aangevallen door een bonte mengeling van strijdgroepen en rampokbenden. Ruim 500 tegenstanders zouden ons volgens de MID tijdens de opmars opwachten. Een tienvoudige overmacht. Tot onze opluchting hadden hun commandanten niet het niveau van onze officieren. De afloop van operatie “Stier” had dan twijfelachtig kunnen zijn. Geschreeuwde bevelen in het Japans betekenden voor ons wel dat sommigen rampokgroepen onder leiding van een gedeserteerde Jap stonden. Deze franc-tireurs waren de gevaarlijkste. Ook werden onze jongens beschoten met primitieve ouderwetse voorlaadkanonnen. In plaats van granaten beschoten onze tegenstanders ons met schroot en roestige spijkers.

 

Op 30 januari werd Moeara Doea bevrijd. Door de snelle opmars van de Ondersteuningscompagnie werden de geplande moordpartijen op het Chinese bevolkingsdeel voorkomen. De TNI benden hadden de Chinese toko’s al leeggeroofd maar voordat de rampokkers aan het ‘Chineesje slachten’ toe kwamen had de Ondersteuningscompagnie hen al de stad uitgeramd. De dodelijk verschrikte Chinezen waren ons zeer dankbaar en kwamen gelukkig weer snel op verhaal. Men ging over tot de orde van de dag en de Hollanders werden weer met de nek aangekeken.

Verbazingwekkend en eigenlijk ook een beetje verdacht was het feit dat - enkele weken voordat onder diepste geheimhouding operatie “Stier” werd gestart - een Chinese transportondernemer uit Batoeradja bij het Binnenlands Bestuur een autobus-concessie op Moeara Doea had aangevraagd. Zelfs nog voor dat onze bataljonscommandant tot de actie “Stier” besloten had. Wat gek hè.

Er waren wel, in de weken voorafgaand aan actie “Stier”, een drukke briefwisseling en telegramverkeer met het oppercommando Zuid-Sumatra gevoerd. Op de telegrammen en de brieven betreffende “Bezetting Moeara Doea” stond echter steevast “Zeer geheim”. Daar lag het dus niet aan. Onze stafofficieren werden wel regelmatig door de Chinese wijkmeesters en topondernemers gefêteerd. Feestmaaltijden met prachtige gastvrouwen werden voor hen georganiseerd. De Chinezen deden alles om hen volledig in te pakken. Ondanks de wollige sfeer die hiermee werd gecreëerd en de geraffineerde geestelijke druk die zij daarbij uitoefenden lieten onze bikkelharde officieren niets los. Zij waren immers op de K.M.A.in Breda of de S.R.O.I. op de Harskamp speciaal getraind om zich niet te laten uithoren, zelfs niet bij martelingen zoals een Chinese rijsttafel. Daar lag het dus ook niet aan. Toch wisten de gewiekste Chinezen meer van onze toekomstige acties dan onze jongens op de buitenposten.

Dat komt omdat Chinezen gedachten kunnen lezen.