“Het kind uit de dessa” - Soldaat G. Cafť

Verhalen
De aanslag  27 februari 1949
A-  A+

GabriŽl Cafť

Mevrouw Magielse was sinds 27 februari 1949 een oorlogsweduwe. De zonen van korporaal Magielse waren al weer een half en anderhalf jaar oud en zouden nooit hun vader leren kennen. "Binnen een jaar uit en thuis" had het Rooms/Rode kabinet ons beloofd, maar voor onze korporaal duurde dat net een dag te lang. Het kabinet had ook beloofd, dat bij eventueel sneuvelen, de nabestaanden goed verzorgd zouden worden.

Helaas, de weduwe van de korporaal had alle instanties al afgelopen voor een weduwen en wezen uitkering, maar zij kreeg geen cent. Ja, als Pasen en Pinksteren op een dag zouden vallen. Wegens de woningnood woonde zij 'in' bij haar moeder en mocht gelukkig met de pot mee eten. Zij was geheel afhankelijk van liefdadigheid. Een onhoudbare situatie. Ten einde raad, in arren moede, schreef zij een brief naar Prins Bernhard met een smeekbede om hulp. De prins stuurde haar onmiddellijk een postwissel, betaald uit eigen middelen!

De eerste nood was gelenigd. Prins Bernhard heeft daarna enkele hoge ambtenaren wakker geschud en sindsdien kreeg de weduwe een oorlogspensioen.
De tweelingbroer van Piet Roda, Albert, was in Holland gebleven. Hij was afgekeurd voor de tropen. Na de vermissing van zijn broer Piet, heeft hij hemel en aarde bewogen om hem op te sporen. Hij verwijt de autoriteiten dat zij geen moeite hebben gedaan om zijn broer op te sporen. Inderdaad, als wij de inspanning van 5-8-RI vergelijken met de massale zoektochten die men voor de zeven jongens van 4-7 RI had georganiseerd moeten wij ons diep schamen. Helaas kregen wij van hogerhand geen toestemming tot actie. Wij zullen dan ook nooit weten of Piet door de bende is meegenomen en vermoord, of dat hij bij de beschieting gewond is geraakt, daarna in de jungle is verdwaald en omgekomen. Het leed en de verbittering van zijn broer Albert is onbeschrijflijk. Hij is nu de eenzame helft van een tweeling.

 

Huttinga, een goedlachse roodharige jongen, bezat een zware revolver. Een privéwapen, meegenomen uit Holland. Met de groot uitgevallen Colt aan zijn koppelriem leek onze vriend op een kruising tussen een cowboy en een woudloper. Hij gebruikte de revolver voor zelfverdediging zei hij. Alle jongens waren jaloers op dit stuk geschut. Maar wat heb je er aan als je wordt neergeschoten zonder zelf de geringste kans te krijgen.

Er waren jongens die een losse geweerpatroon op zak hadden, een reserve kogel. "Bewaar de laatste kogel voor je zelf, laat je niet door die sadisten afslachten", was de filosofie van vele jongens. Maar wat kan je nog doen als je al door een kogel bent uitgeschakeld. Dan kan je alleen nog, tegen beter weten in, wachten op genade van Soekarno's moordenaarsbenden. Hoe simpel zou het niet zijn als Simandjuntak gevangen genomen Hollandse jongens zou ruilen tegen een paar trucks voedsel of kleding voor de noodlijdende bevolking.

Dit helaas, vereist wel meedogen met je eigen volk. Op Java worden soms wel Hollandse jongens gevangen genomen en daarna ingeruild tegen voedsel en kleding. Chantage, dat wel, maar zij overleven tenminste hun avontuur. Op Zuid-Sumatra worden geen gevangenen gemaakt.