“Het kind uit de dessa” - Soldaat G. Cafť

Verhalen
De hinderlaag  Batoe Radja Zondag 27 februari 1949
A-  A+

GabriŽl Cafť

Exact een jaar geleden, op vrijdag 27 februari 1948 ging 5-8 R.I. - het 5e bataljon van het 8e regiment infanterie - in Rotterdam aan boord van het s.s.Zuiderkruis, een tot troepenschip omgebouwd Victory schip. Vanaf het dek, leunend over de railing, keek ik naar het gekrioel van de honderden burgers en soldaten op de kade. Een verkleumde militaire kapel probeerde tevergeefs de trieste sfeer van deze kille winterdag stuk te spelen. Bij de loopplank zag ik korporaal Magielse afscheid nemen van zijn jonge vrouw. Zij waren ruim een jaar getrouwd, hadden een zoontje en zijn vrouw was in verwachting van het tweede kindje. Wanhopig huilend hielden zij elkaar zolang mogelijk vast. Tenslotte, overmand door verdriet, ging onze korporaal als een van de laatsten aan boord. Dat afscheid maakte een diepe indruk op mij en wie kon toen vermoeden dat hij vandaag, precies een jaar later, zou sneuvelen.

Vanmorgen, vroeg in de ochtend, vertrokken twee legertrucks vanuit Pulau Panggung naar Batoe Radja. Iedere week - 's zaterdags heen en 's zondags terug - met de regelmaat van een busdienst, moeten wij Pulau Panggung ravitailleren. Deze precisie bleek uiteindelijk fataal.

Vandaag waren Jaap Sietses en Marius van Koll de chauffeurs. Jaap reed voorop met zijn Chevrolet drietonner, wagen nr. 195444. Eigenlijk had Jaap deze rit niet hoeven rijden, hij had een verlofpas in zijn zak. Hij mocht terug naar zijn ouders in Holland, omdat zijn broer zwaar gewond in een Javaans hospitaal lag. Als bewaking aan boord van Jaap's drietonner gingen mee korporaal C.Magielse, de soldaten: J.de Groot, H.F.Huttinga, J.B.Krops, en R.van Klinken. Deze vijf jongens behoorden tot de 2e compagnie. Verder gingen mee W.Paalvast van de 3e compagnie en de schrijver-assistentbetaalmeester P.Roda van de stafcompagnie. Op de tweede wagen, bestuurd door Marius van Koll, bevonden zich ook zeven passagiers. SMI J.Mol, SMA de Bruin en de soldaten Jan Kok, Jan Kloppenburg, de Knegt, ten Boekel en Hospers.

 

terreurbende onder leiding van Simandjuntak en zijn bloeddorstige broertje Liberty zwierf moordend en plunderend al maanden lang rond op het Semendoplateau, een woest berggebied waarin ook de kampongs Pulau Panggung en Sugihwaras lagen. Bestuursambtenaren en dorpshoofden die het niet helemaal met hen eens waren werden door de bende bedreigd of afgeslacht De toch al verarmde en verpauperde bevolking werd door de bende beroofd van hun voedsel. Soms werden mannen uit de kampongs onder bedreiging gedwongen bomen te kappen en hinderlagen te maken. Hinderlagen bestemd voor Hollandse konvooien. Deze 'vrijheidsstrijders' spraken slechts één taal en die kwam uit de loop van hun geweer. In het donker van de nacht van 26 op 27 februari 1949 werd door Simandjuntak's bende een hinderlaag gelegd. Een hinderlaag op de bergweg tussen Pulau Panggung en Sugiwaras.

De plaats was goed gekozen, links een ravijn en rechts een begroeide bergwand. Precies om de hoek na een linkse bocht had men bomen omgekapt en deze lagen dwars over de weg. In de bocht was een zware trekmijn ingegraven. Honderd meter terug, richting Pulau Panggung stonden nog twee bomen op scherp. Deze bomen waren diep ingezaagd, zodat men ze met weinig moeite kon laten omvallen als de tweede wagen ook zou zijn gepasseerd. De val was geraffineerd opgezet en zou dodelijk blijken. Vooral omdat de bende ook zéker was van onze komst, zij konden hun horloge er op gelijk zetten. Ondanks protesten uit het chauffeurspeloton, wijzend op gevaar van een 'busdienstregeling' werd er toch op de klok gereden. Een pantserwagen ter beveiliging kregen de jongens niet mee. Men beweerde dat deze pantserwagen in Batoe Radja stond, voor het huis van
onze bataljonscommandant.