“Het kind uit de dessa” - Soldaat G. Cafť

Verhalen
Scheepsonderhoud  Soengei Gerong 1 juli 1948
A-  A+

GabriŽl Cafť

Het is moeilijk rond te komen van ƒ 1,25 per dag. Na mijn degradatie was m'n soldij van ƒ1,50 per dag gezakt naar ƒ 1,25. Het water stond mij aan de lippen en het geldgebrek was nijpend. Orgiën en bacchanalen kon ik wel vergeten. Honderdvijfentwintig centen, je kon er nauwelijks een kam pisangs van kopen. Toch zag ik mogelijkheden om de financiële problemen op te lossen. De Bataafse Petroleum Maatschappij in Pladjoe zocht personeel. De B.P.M. (Shell) - de buurman van de Stanvac - wierf arbeidskrachten onder de soldaten. Wij konden zo aan de slag, negen guldens per dag! Vakkennis was niet noodzakelijk.


De Shell is een Hollandse club dus zij zullen het met ons, Hollandse soldaten, goed voorhebben, denk je dan, in je onnozelheid. Negen piek per dag, en wat moesten wij in ruil hiervoor dan doen? Tankers schoonmaken! Koud kunstje, dek schrobben en hutten schoonmaken, dacht ik in m'n eenvoud. Helaas was het niet zo simpel.

Onder de bezielende leiding van een Hollandse werkmeester - een halfbroer van een Japanse kampbewaker - daalden wij af in de ingewanden van een tanker. Gewapend met emmers bezems en scheppen wrongen wij ons door mangaten en via glibberige stalen ladders belande wij onder in het ruim. De tanker was verdeeld in meerdere ruimen, tanks genaamd en elke tank had de afmeting van een bioscoopzaal. De vloer van deze zaal was bedekt met een centimeters dikke laag oliebezinksel. Deze oliedrap moesten wij bijeenvegen, in emmers scheppen en deze vervolgens legen in een bak in een hoek van het ruim. Via een zuigleiding werdt dit walgelijke afvalprodukt teruggepompt naar de raffinaderij.

 

De oliedampen waren bijna ondraaglijk en al snel werden enkele jongens onwel. Met veel moeite hesen en sjouwde wij deze ongelukkigen naar boven, naar de frisse buitenlucht op het dek. Slechts de allersterksten onder ons hielden het vol. Het was mij een raadsel dat ik dit allemaal verdragen kon, maar wat wil je, negen glanzende guldens per dag. Ik wist niet hoe de hel er uitzag, maar als hij bestond was ik nu toch wel in het voorportaal. Glimmende blubberige zwarte wanden, een plafond waar griezelige zwarte slierten aan hingen. Wankelende infanteristen met een zweetdoek voor hun mond, tot hun enkels in de prut. En dit alles schaars verlicht door een enkele explosievrije lamp. Hier werd even de basis gelegd voor menige claustrofobie en ik besefte dat wij geronseld waren inplaats van aangenomen.

Tijdens de middagpauze mochten wij even aan dek, terug naar de bewoonde wereld. Terug naar de zon en de blauwe hemel. Over de railing van de tanker kijkend zag ik prauwen en sampans voorbij varen en aan de overkant van de Moesi zag ik het groen van de jungle. Alles wat ik zag vond ik mooi en ik voelde mij als een dorstige woestijnreiziger die een oase zag opdoemen. Diep ademde ik de frisse lucht in en voelde mij bevrijd. Een paar jongens, waaronder ook m'n vriend Gerrit, lagen nog op stretchers bij te komen van de doorstane ellende. Ik hield het voor gezien en zonder woorden verliet ik het schip. Shell hou je ƒ 4,50 maar, een halve dag slavenarbeid is genoeg. De oliemaatschappij en zijn aandeelhouders wenste ik een fatale koersdaling toe.