“Het kind uit de dessa” - Soldaat G. Cafť

Verhalen
Huzaren van Boreel  Soengei Gerong 10 juli 1948
A-  A+

GabriŽl Cafť

Met drietonners zijn wij vandaag in colonne naar Sugihwaras gebracht. Het was een rit van ongeveer 40 kilometer. De jongens in de voorste wagen hadden geluk, in de tweede wagen was het stofvreten. Sugihwaras is een bergkampong, doorsneden door een snelstromende kali met de fraaie naam 'air Enim'. De bron van het glasheldere en ijskoude water ligt 50 kilometer verder hoog in de bergen. De kalibedding is bezaaid met gladgeslepen rotsblokken - ongeveer zo groot als de Amersfoortse kei - en het water klatert en bruist daar tussendoor en overheen. Het geruis van de kali is constant en alom aanwezig en is slaapverwekkend, wat echt wel lastig is als je op wacht staat. Op de westoever van de kali is de eigenlijke kampong gevestigd. Op de oostoever staan slechts enkele goedangs (pakhuizen) en een paar grote huizen. In een van deze huizen ,een voormalig dorpshuis heeft ons peloton zich gevestigd. Er wordt hard gewerkt aan het interieur en wij hebben al snel een eetzaal annex cantine ingericht. Een paar jongens zijn bezig een bar te bouwen en de Welfare officier van ons bataljon heeft voor een tafeltennistafel gezorgd. Buiten, achter het gebouw is men driftig bezig een latrine te graven.
Wij moeten ook kwartier maken voor onze compagniestaf. Dat betekent dan ook dat kapitein Davidson hier komt te wonen! Daar ben ik niet blij mee. Deze man belemmert mij in m'n vrijheid! Tegenover de cantine aan de overkant van de weg tussen twee grote huizen in staat een Humber pantserwagen. Twee Huzaren van Boreel zijn met hun pantserwagen aan ons uitgeleend om de radioverbinding met Batoeradja te onderhouden. Huzaren van het Bordeel zeiden wij wel eens guitig tegen hen, maar daar maakte je geen vrienden mee.

 

 

De Humber ziet er vervaarlijk uit met zijn 37 mm kanon en 12 mm mitrailleur. Sumatranen op weg naar de passar gaan altijd in draf als zij de Humber moeten passeren, zij denken dat er een boze geest in huist!


Het is een leuk familietafereel, Ahmed en Minah op weg naar de passar. Ahmed voorop, handen in de zakken en een krètèksigaret in de mondhoek. Tien passen daarachter volgt Minah eerbiedig. Een zware pikolan over haar smalle schouders en soms ook nog een baby in een slendang op haar rug. Volgens Henk Brandt, de Humberchauffeur (wij mochten van hem nooit zijn achternaam hard roepen, de brandweer was er ooit voor uitgerukt) was dit vroeger tijdens de eerste politionele actie wel anders. Wegens het gevaar van landmijnen liep toen Minah voorop en Ahmed, eerbiedig twintig pas er achter. Landmijnen gelegd door hun eigen landgenoten. Voor een oprukkend leger zoals het onze was het niet handig mijnen te leggen.