“Het kind uit de dessa” - Soldaat G. Cafť

Verhalen
Medicijnman  Sugihwaras 14 juli 1948
A-  A+

GabriŽl Cafť

Zuid-Sumatra is enorm verpauperd, ziekten en armoede heersen alom. De Jappen hebben hier meer geroofd en geplunderd dan de Duitsers tijdens de bezetting bij ons. Er is weinig van waarde meer over, zelfs de koperen telefoon en electradraden zijn verdwenen. Wij oefenen nu met onze Lee Enfield’s op de witte keramische isolatiepotjes die doelloos in de telefoonpalen zijn achtergebleven.

Nadat vanmorgen de passar was volgestroomd met inlanders uit de wijde omtrek had ons peloton de markt omsingeld en hermetisch afgegrendeld. Geen kip kon er meer in of uit. Iedereen die geen pokkenbriefje kon tonen werd door Arie Paalvast, onze hospik, ingeënt tegen pokken. Binnen een paar uur had onze medicijnman met hulp van een paar infanteristen de zaak geklaard. Een betere manier om de dodelijke pokken te bestrijden wisten wij even niet

 

Na afloop van de massale inenting kwam de kampong aan de beurt, met twintig man hebben wij een paar ton vuilnis uit de straatjes verwijderd. Ook werd door ons hier en daar een primitief rioolsysteem gegraven. De kampongbewoners keken als verlamd toe, niemand deed iets en niemand kwam te hulp. De mensen waren zeer gesloten en gereserveerd. Maar wat wil je, overdag zijn wij hier wel de baas, maar s’nachts komen de rampokbenden de boel plunderen en terroriseren. Klachten krijgen wij nauwelijks, men durft niet om bescherming te vragen. Iedereen die niet enthousiast is over Soekarno’s “nieuwe orde” is zijn leven niet zeker.