“Het kind uit de dessa” - Soldaat G. Cafť

Verhalen
Noodweer  Lichtschip Albatros 23 mei 1948
A-  A+

GabriŽl Cafť

Selat Bangka (straat Bangka) is een honderd mijl lange zeestraat, ingebed tussen de moerassen van Zuid-Sumatra en het tineiland Bangka. de breedte varieert van zeven tot twintig mijl. ( een zeemijl = 1852 meter). De diepten lopen af van een paar meter langs de kust tot twintig meter op het diepste punt. Enorme, bij eb droogvallende modderbanken, doen denken aan de Waddenzee. De positie van ons zwaar verankerde lichtschip is 2° 10’ zuiderbreedte en 104° 57’ oosterlengte. Dat is ongeveer 8 mijl uit de Moesidelta en 12 mijl uit de kust van Bangka. Bij helder weer kan je Muntok, een havenplaats op de westpunt van Bangka waarnemen. De zeebodem rond de Albatros ligt bezaaid met wrakken uit de tweede wereldoorlog terwijl zij bij laagwater minder dan 15 meter zout water onder haar kiel heeft. Deze geringe diepten zorgen bij storm voor gevaarlijke grondzeeën. Bij windkracht 7 wordt de zee al zo knobbelig dat varen met het loodsbootje doet denken aan fietsen met lekke banden over spoorbielzen. Zo ook gisteren, windkracht 8 met uitschieters naar 9. Het lichtschip rukte aan haar ankerkettingen en steigerde als een wild paard op de 4 á 5 meter hoge golven. Op een wonderlijke manier glijden de wit schuimende golven gelukkig onder ons schip door inplaats van er overheen. Iedere keer als de Albatros in een golfdal duikt weeg je naar je gevoel minder dan een kilo, je bent bijna gewichtloos. Tot dat ons dappere schip trillend weer uit het dal kruipt, even weeg je dan 200 kilo en je voelt je daarbij heel erg oud en versleten. Tijdens zware storm willen de ankers wel eens gaan krabben. Dat is niet leuk, dat is angstaanjagend! Je moet er niet aan denken wat er gebeuren zou als het schip los slaat en op drift raakt. De invalide Albatros kan geen meter varen op eigen kracht. Wij mogen van geluk spreken dat ons schip alleen maar hevig stampt en niet de combinatie van stampen en rollen van een varend schip zoals de Zuiderkruis. Door dat natuurverschijnsel kregen alle dienstplichtigen immers een groen hoofd.

Een Hollandse tanker, 500 meter van ons verwijderd, vroeg om een loods maar niemand durfde met het loodsbootje te varen. De een moest nodig naar het toilet de ander moest plotseling nog een brief aan zijn verloofde afmaken. De andere jongens stonden met hun handen op hun rug, zacht fluitend, naar de hemel te staren. Alleen Hans van Gerwen moest zo nodig flink doen, hij durfde wel. Ik heb hem kunnen weerhouden, zelfs hij heeft in Holland misschien wel iemand die nog om hem geeft.

 

 

Deze zee ging zelfs ons loodsbootje met zijn 2 cilinder Listerdiesel te hoog. De tanker voer, ten einde raad, zonder loods de Moesi op. Dank zij het vakmanschap van de Hollandse stuurlieden bleef een stranding uit en de tanker belande veilig in Soengei Gerong.

Het weer bleef slecht en het zou erger worden. Later in de avond barstte een tropische regenbui los. Er kwam zoveel water omlaag dat het je verstand te boven ging. Niet begrijpend en wezenloos ondergingen wij dit natuurgeweld. De Albatros begon nu steeds meer op een onderzeeër te lijken. Een onwijs zware onweersbui brak los. De bliksemflitsen waren zo fel zo massaal, het leek wel als of iemand in de hemel nog een laatste flitsfoto van ons wilde maken.

De grote zonnetent boven het dek begon door de onophoudelijke regen door te zakken . Overal tussen de balken vormden zich grote zakken met water. De spanten begonnen te kraken en het werd gevaarlijk aan dek. Plotseling hoorden wij een bloedstollend gegil. Zes of zeven naakte Sumatranen stormden, gewapend met krissen en klewangs, het dek op. Wij dachten allemaal “dit is het dan, dit is het einde, nu zie ik moeder nooit meer terug”


Gillend en schreeuwend sneden de loodsen echter de canvas dektent op de doorgezakte plaatsen stuk. Het opgevangen regenwater donderde met ongekend geweld op het teakhouten dek en het spantenframe was gered. Nog verbijsterd door het geschreeuw en gegil vroeg ik mij af “is dit nu de stille kracht?”.