“Het kind uit de dessa” - Soldaat G. Cafť

Verhalen
Joop  25 mei 1949
A-  A+

GabriŽl Cafť

Op de terugweg naar huis, na een zware meerdaagse patrouille, stapte Brenschutter Joop Winters op een landmijn. De Japanse landmijn die met een trekkoord op afstand werd bediend, een zogenaamde trekmijn, explodeerde toen Joop als laatste man van de patrouille boven de mijn liep. De aanslag gebeurde in de buurt van Tandjoengraja, een verpauperde, door de bevolking verlaten kampong.

Landmijnen, de nachtmerrie van iedere soldaat. Het zaad van de duivel werden zij wel genoemd, het wapen van de lafaard. Lafhartige terroristen die ondanks hun meer dan tienvoudige overmacht een rechtstreeks gevecht met de Hollanders niet aandurfden.
Door de verschrikkelijke explosie was Joop’s linker voet verbrijzeld. Onmiddellijk na de explosie openden luitenant Nawi’s en vaandrig Simandjuntak’s benden een spervuur op de patrouille. De jongens van de vierde compagnie waren in de val gelopen.

Verdoofd, nog niet de komende vreselijke pijn voelend, probeerde Joop weer op zijn voeten te komen om tegenvuur te geven. Niet begrijpend wat er met hem was gebeurd zakte onze moedige Brenschutter echter weer in elkaar. De patrouille had wèl direct tegenvuur gegeven en onder dekking daarvan sleurden een paar van zijn kameraden, in tijgersluipgang, de zwaar gewonde Joop, die nog steeds onder vuur lag, in veiligheid.

Terwijl de patrouille nog in dekking lag en de vijand plotseling op de vlucht sloeg ontdekten de twee verkenners, die een paar honderd meter voor de patrouille uitliepen, een paal waar op een anti-Nederlandse maklumat, een dreigbrief, was geprikt. “Belanda hampir mati” (de Hollanders zijn bijna dood).
Het trieste van de hinderlaag was dat deze geheel voorkomen had kunnen worden

 

De ervaren en moedige pelotonscommandant luitenant Poelen, de commandant van Joop, wees op 27 april 1949, ook al bij Tandjoengraja, de Rotterdamse mortierschutter Van Vark tijdens een gevecht op een vijandelijk doel.

Luitenant Poelen kreeg prompt een schot door zijn arm. Van Vark plaatste met een brisantgranaat toch nog een voltreffer tussen de bende maar luitenant Poelen was voorlopig uitgeschakeld. Sinds die tijd kreeg het peloton de jonge onervaren luitenant P.S. als commandant. Luitenant P.S. was behalve onervaren ook eigenwijs en arrogant en derhalve levensgevaarlijk. Hij wilde op de terugweg dezelfde route nemen als op de heenweg. Iedereen wist hoe bloedlink dat was.

De slimme Joop Winters wees de luitenant op het grote gevaar van een hinderlaag met landmijnen bij zo’n voorspelbare terugroute. Dit soort laffe actie’s was immers het handelsmerk van de zich als vrijheidstrijders vermomde struikrovers. Joop werd door het luitenantje weggehoond. hij was maar gewoon soldaat, niks te maken met ervaring, P.S. was officier en dus de baas. Napoleon zei het al “Er bestaan geen slechte soldaten er bestaan wel slechte officieren”.

De verdere loopbaan van luitenant P.S. was een opeenstapeling van blunders. Een maand later zou hij als commandant van een staande patrouille - een tijdelijke bezetting - tegen de orders in de kampong Remantai ontvluchten. De T.N.I. had hem met ‘Menggoda’ weggepest. Menggoda, Maleis voor treiteren en sarren, af en toe uit een hinderlaag een schot op het onderkomen lossen, s’nachts stenen op het golfplatendak gooien en daarna snel vluchten. P.S. ondernam geen actie maar nam de benen. Hij beval de terugtocht naar Pulau Panggung, een van onze buitenposten hoog in het Semendo gebergte. Sergeant majoor Nienhuis, de opvolgend commandant protesteerde tegen deze vlucht, maar luitenant P.S. legde hem als meerdere het zwijgen op.

Een paar dagen later moest sergeant majoor Nienhuis bij onze B.C. op het matje komen. De B.C. dreigde de S.M.I. voor de krijgsraad te slepen, hij had niet genoeg geprotesteerd. Wat had onze brave sergeant majoor dan wel moeten doen? Bij teveel tegenstribbelen had de luitenant hem wel voor de krijgsraad gedaagd.