“Het kind uit de dessa” - Soldaat G. Cafť

Verhalen
Joop 2  25 mei 1949
A-  A+

GabriŽl Cafť

Het heroveren van deze belangrijke buitenpost heeft uiteindelijk, op 1 juli 1949, de Menadonese KNIL soldaat Kirojan het leven gekost. Na dit drama kreeg het tweede peloton van de vierde compagnie een nieuwe commandant, de kundige luitenant Leenders van de Ondersteunings compagnie. Het was een luitenantsruil. P.S. werd commandant van het pionierspeloton van de Ondersteuningscompagnie, daar kon hij weinig kwaad uitrichten. Zijn verdere carrière is mij ontgaan maar op onze thuisreis in mei 1950 is hij in gezelschap van twee collega officieren en twee soldaten als gevangene afgevoerd aan boord van het s.s. Waterman. Waarom zij opgesloten in het cachot de thuisvaart moesten maken weet ik niet, onsnappen konden zij toch niet. Drie weken cel in het vooronder van ons stampende schip moet een verschrikking voor hen geweest zijn. In Holland werd luitenant P.S. oneervol ontslagen. Officieren kan je niet degraderen alleen ontslaan. Korporaals en onderofficieren daarentegen kan je bij het minste of geringste op staande voet de strepen van het lijf rukken.

De jongens hadden Joop in betrekkelijke veiligheid gebracht en de hospik had hem een morfineïnjectie gegeven. De basis Poelau Pangung was nog 15 kilometer ver en een draagbaar was niet aanwezig. De vindingrijke Joop Wolff, een vriend van Joop en ook Brenschutter, had met een paar maten in een verlaten moskee een doodskist geritseld. Joop werd in de kist gelegd en een martelende, vele uren te lang durende mars door de rimboe werd ondernomen. Tijdens deze slopende mars waren zij niet alleen, zij moesten ook nog het traditionele “thuis brengen” ondergaan. Ongeveer honderd rampokkers trokken parallel met de patrouille op en losten af en toe een schot uit de rimboe. Bij tegenaanvallen van onze jongens sloegen zij als hazen op de vlucht.

 

Vanuit Poelau Pangung werd door de vierde compagnie radiocontact met ons hoofdkwartier in Baturadja gelegd. “Alsjeblieft met spoed een ambulance, wij hebben hier een zwaargewonde soldaat”. In Batoeradja, bij ons veldhospitaal, stond wel een ambulancewagen maar men durfde er niet mee naar Poelau Pangung te rijden. Het was zo’n gevaarlijke route, vond men, maar dat wisten wij intussen zelf ook al.

Na een twee dagen durende kwelling kwam de ambulancewagen eindelijk Joop ophalen. Onder begeleiding en bescherming van een pantserwagen en enkele scherpschutters durfde men de reis eindelijk aan. In Batoeradja beslisten de artsen dat Joop met spoed naar de Benteng, het grote hospitaal in Palembang, vervoerd moest worden. Vier dagen na de hinderlaag kreeg Joop eindelijk een echte medische behandeling. Intussen had echter het gevreesde gangreen, koudvuur, bij Joop toegeslagen. Zijn been werd daarom pal onder de knie geamputeerd. Bij onmiddellijk ingrijpen door onze commandant in Batoeradja had het misschien nooit zo ver hoeven komen.

Iedere soldaat op een buitenpost was inmiddels bevangen door angst om zwaargewond te raken, hij wist dat hij dan nagenoeg kansloos zouden zijn. Bijna zo kansloos als in handen vallen van onze sadistische tegenstanders.
Joop werd naar Java overgebracht voor revalidatie, en een Chinese arts aldaar mat hem een piratenpootje aan.
In de herfst van 1949, na de ronde-tafelconferentie, was er een plaatsje over in het vliegtuig die de onderhandelaars van onze regering naar Holland zou brengen. Joop werd voorzien van een vals paspoort en ook aan boord gezet, hij was nu zogenaamd geen militair meer doch een delegatielid en regeringsambtenaar.