“Het kind uit de dessa” - Soldaat G. Cafť

Verhalen
De sollicitatie  Toeboean 17 oktober
A-  A+

GabriŽl Cafť

Het chauffeurspeloton in Batoeradja heeft wegens ziekten en ongevallen nieuwe chauffeurs nodig. Jongens met enige ervaring doch zonder rijbewijs zijn ook welkom. Zij krijgen dan een veertiendaagse opleiding van het KNIL. Een motorrijbewijs heb ik al, misschien hebben zij ook wel een motorordonnans nodig. Ik heb mij voor de opleiding aangemeld en hoop vurig dat ik bij de uitverkorenen behoor. Ik zal m'n kameraden missen maar het avontuur trekt mij nu eenmaal. Als ik niets onderneem ben ik misschien over een jaar nog in Toeboean bezig met wacht en patrouillelopen. Het wachtlopen is een vermoeiende en geestdodende activiteit, twee uur op en twee uur af. Voortdurend worden wij daarbij aangevallen door horden muskieten, deze insekten kunnen ons bloed wel drinken. Tijdens de natte moesson komen daar ook nog eens de "vliegende lomboks" bij. Deze bijnaam hebben ze van ons gekregen omdat ze inderdaad op vliegende Spaanse pepers lijken. Ze hebben mooie transparante vleugeltjes zoals libellen, maar schijn bedriegt, met hun venijnige angel veroorzaken ze walgelijke tropenzweren. Het interieur van het trieste wachtlokaaltje is ook al weinig inspirerend, een paar gammele stoelen om een morsige tafel.

Op het tafelblad liggen wat beduimelde Hollandse tijdschriften zoals 'De Lach' en de 'Katholieke illustratie'. Op de tafel staan ook nog een asbak - gemaakt van een leverpasteiblikje - en een wit geëmailleerde mok met roestplekken. De mok gebruiken wij om een gedeukt kaakjesblik, gevuld met liters lauwe thee, leeg te drinken. Dit weinig verkwikkende tafereel wordt onbarmhartig verlicht door een suizende benzinelamp die constant omringd is door de meest gruwelijke insekten. De uren kruipen langzaam voort en de sfeer is melig. De jongens die vrij zijn van dienst proberen onder hun klamboe de slaap te vatten en verwachten van de wacht dat zij daarbij niet worden gestoord.

 

Slechts één ding vind ik nog erger dan wachtlopen en dat is patrouillelopen. Om orde en vrede te handhaven moet je veel en vaak patrouille lopen. Kampongs en doesoens controleren. Arie, onze hospik gaat ook vaak mee om zieke en nooddruftige inlanders te helpen en te verplegen. Soms vangen en arresteren wij een rampokker. Het zwaarste van het patrouille lopen is echter het gesjouw met wapens en uitrusting, naarmate de dag vordert weegt alles drie maal zwaarder dan tijdens het vertrek. Wij moeten bergen beklimmen en door kali's waden. Soms moeten wij ook een pad hakken door de woeste rimboe en dit alles onder een hoog bladerdak waar geen zonnestraaltje doorheen valt. Aanvallen van insekten - zij zijn altijd aanwezig - en gekrijs van toekans en vluchtende apen. Doodvermoeiend. Maar het meest griezelige van dit alles zijn de bloedzuigers! Er zijn twee soorten, één die in het kaliwater leeft en via je broekspijpen omhoog kruipt en een die op het land leeft en die van uit de bomen in je nek valt en daarna zijn weg naar binnen vindt. De eerste keer als je deze walgelijke, met jouw bloed volgezogen, zwarte beesten op je bleke huid ontdekt, huiver je. Je eerste reactie is het monstertje zo snel mogelijk uit je vel te trekken, maar helaas, het kopje van de bloedzuiger blijft dan achter onder je huid en dat veroorzaakt een ongelofelijke tropenzweer. Onze KNIL mentor heeft ons bezworen om in zo'n situatie kalm te blijven en een gloeiende sigaret op het zwarte bolle beestje te drukken. Onmiddellijk gaat dan ook de zuigangel uit je vlees.

Patrouillelopen heeft vast wel zin, al is het maar als training voor een eventuele tweede politionele actie. Wat mij daarbij wel verbaast is de gastvrijheid van de Sumatraan. In de kampong staat de thee altijd klaar, men weet van onze komst. Hetzij via de tong tong, hetzij via vluchtende rampokkers of gewoon omdat men ons van verre al zag aankomen.

In dit tropische landschap baren wij dan ook meer opzien dan een Zoeloekrijger in de Haarlemmermeerpolder.